Brigitte 的个人资料linedancegirl en wicca照片日志列表更多 工具 帮助

日志


5月17日

Geschiedenis van de Stetson hoed

Stetson, de hoedenmaker

Als er iets was waar John B. Stetson een hekel aan had, was het regen. Het klimaat aan de oostkust van de Verenigde Staten verergerde namelijk zijn tuberculose. Op advies van zijn arts trok hij daarom begin 1850 naar het westen, naar Colorado.

In 1860, tijdens het goudzoeken in de bergen van Colorado, ging zijn gezondheid echter snel achteruit, mede door het slechte weer in het berggebied. Hij kwam erachter dat bevervacht geen water vasthield en bouwde hiervan een tent om zich tegen de regen en de kou te beschermen. Ook kreeg hij het idee om

deze kennis in hoeden te verwerken.

Stetson, afkomstig uit een hoedenmakersfamilie, herinnerde zich de woorden van zijn vader die hem uitgelegd had dat een grote ruimte aan stilstaande lucht bovenin de hoed een goede isolerende werking had, en besloot een hoed van bevervacht te gaan maken.

Diezelfde bevervacht wordt nu nog verwerkt in sommige hoeden. De mate waarin wordt aangeduid met kruisjes. De duurste hoed "the President" kent 100 kruisjes, wat staat voor 100% bevervacht.

Tijdens zijn leven in de open natuur had John B. Stetson tevens geleerd dat een brede rand noodzakelijk was om zich goed tegen de elementen te beschermen. De rand hield namelijk zowel direct zonlicht als spetterende regendruppels tegen. Ook maakte hij zijn hoed waterdicht zodat hij hem ook als emmer kon gebruiken.

Stetson begint zijn eigen bedrijf

Nadat een ezeldrijver zijn hoed voor $5 in goud gekocht had besloot de goudzoeker zich verder met het hoeden maken bezig te houden. Met $100 kapitaal en $10 aan bevervacht opende hij in 1865 een klein winkeltje in Philadelphia.

Hij zorgde ervoor dat hij zijn hoed altijd droeg en daarmee aandacht trok; daarnaast overtuigde hij iedereen ervan dat hij de beste materialen gebruikte. Iedere hoed werd voorzien van een klein gouden blaadje met zijn naam aan de binnenkant, om de merknaam verder te verspreiden.

De nieuwe hoeden waren erg populair: binnen een jaar moest Stetson personeel aantrekken om aan de vraag te kunnen voldoen. De hoeden waren een groot succes in het dunbevolkte westen waar vechtpartijen aan de orde van de dag waren. Ze konden tegen een stootje en ook al werden ze door meerdere kogels doorboord, ze behielden hun vorm.

Aanvankelijk zag men in het oosten niets in de hoeden, maar John gaf niet op. Door meerdere modellen aan te bieden kon iedereen zijn eigen model en stijl uitkiezen.

Symbool voor de cowboy

De originele hoed, die hij "The Boss of the Plains" had genoemd, werd het symbool van het Wilde Westen en creëerde het beeld van de Amerikaanse cowboy. De Amerikaanse filmindustrie gebruikte de witte en zwarte hoeden om de good guys en the bad guys, de goederikken en de slechterikken, aan te duiden.

De Boss of the Plains

Stetson zelf was echter als filantroop meer geïnteresseerd in de betere mens en hij was goed voor zijn personeel: hun beloning bestond onder andere uit kostenloze gezondheidszorg en aandelen in het bedrijf. Daarnaast stichtte hij een universiteit en opende een ziekenhuis.

In 1886 groeide de hoedenmakerfabrikant uit tot grootste hoedenproducent ter wereld met meer dan 4.000 medewerkers en in het jaar dat Stetson stierf, 1906, bereikte het een productie van 2.000.000 hoeden.

5月16日

Kleren van de cowboys

De Kleren van de Cowboy

Alles wat de cowboy droeg of aanhad, was bijna onmisbaar voor hem. Vrijwel alles diende hem tot gereedschap en het merendeel kon voor meer dan één ding worden gebruikt.
Om te beginnen zijn hoed.

De cowboyhoed

Deze moest zijn hoofd beschermen tegen de brandende zon, zware regen, hagelbuien, harde wind en intense kou. De meeste cowboys droegen hoeden met brede randen, zoals in die tijd de meeste mannen die in de openlucht werkten. Toen het vak van cowboy in Texas onstond, waren de meeste hoeden nog voorzien van een kleine bol. Maar de man uit Texas zag de Mexicaanse sombrero en dat leerde hem dat een hoge bol het hoofd beter beschermde. Zo ontwikkelde zich de beroemde Stetson: in verschillende vormen en maten verkrijgbaar, maar altijd van sterke kwaliteit, met een hoge bol en een brede rand.
De cowboy gebruikte zijn hoed echter niet alleen om op zijn hoofd te zetten. Dat zou jammer zijn geweest van zo'n nuttig gebruiksvoorwerp. Er kon bijvoorbeeld water in, als hij hem omgekeerd hield. En als hij hem wel ophad, kon hij er van alles in meedragen, dat hij niet wilde laten zien. De brede rand gebruikte hij om er een vuurtje mee aan te wakkeren. Als de temperatuur tot onder het vriespunt daalde kon hij met zijn halsdoek of sjaal de rand over zijn oren binden zodat die niet bevroren. En ook bood hij bescherming tegen boomtakken.
Cowboys waren nogal trots op hun hoofddeksels en hadden graag een eigen model. De ene cowboy hield van een rechte rand, de ander had liever een rand die aan beide zijde omhoog gekruld was en een derde gaf de voorkeur aan een opstaande rand van voren. De bol kon ook nog allerlei vormen hebben. Je had een ronde bol, een bol die als het ware met vier vingers ingedeukt was en ook kon je de bol met de zijkant van je hand een tik geven waardoor er in het midden een fraaie gleuf kwam. Een hoed weerspiegelde de smaak en het karakter van de eigenaar.

Je had ook iets nodig om je hoed bij harde wind op zijn plaats te houden. Je kon het je niet veroorloven iets kwijt te raken dat je twintig dollar had gekost in een tijd dat je weekloon niet veel hoger lag. Daarom was de kinband van groot belang. De Texanen gebruikten er de Mexicaanse naam barboquejo voor. De band moest sterk genoeg zijn om te voorkomen dat je hoed door een tak of windvlaag werd afgerukt, maar hij moest tevens zo zwak zijn dat hij knapte als de eigenaar achter een tak bleef hangen bij het rijden door het dichte kreupelhout achter de Longhorns aan.
Kinbanden en hoedelinten werden fraai bewerkt. Vooral op de hoedelinten konden de cowboys zich uitleven. Sommige dandies versierden de linten met zilveren conchos: kleine schelpvormige schijfjes.